Nieuws

Tussen twee soorten fouten

Naar overzicht

In Stadskanaal raakten dit voorjaar twee jonge kinderen ernstig in de knel, in een situatie die al langer bij hulpinstanties bekend was. Ondanks dat er hulp was ingezet, kon het lange tijd doorgaan. De zaak leidde tot Kamervragen en opnieuw tot een pijnlijke vraag die de hele sector raakt: hoe heeft dit zo lang kunnen duren? Het speelt buiten onze organisatie, maar als jeugdzorgorganisatie raakt het ons wel. Daarom staan we er even bij stil, niet om te oordelen, maar om iets te benoemen wat veel professionals dagelijks voelen.

De gebeurtenissen in Stadskanaal roepen veel emoties op. Verdriet, ongeloof, boosheid. Terecht. Want ieder kind verdient veiligheid.

Tegelijk zetten ze iets anders in het licht. Iets waar veel plaatsers, jeugdbeschermers, hulpverleners, leerkrachten en zorgprofessionals dagelijks mee worstelen.

Twee soorten fouten

De eerste is dat je ingrijpt terwijl dat achteraf niet nodig blijkt. Een kind uit huis plaatsen, een gezin onderzoeken, terwijl de situatie anders blijkt te liggen.

De tweede is dat je niet ingrijpt. Dat je signalen mist. Of te laat ziet wat er werkelijk speelt.

Beslissen als nog niet alles duidelijk is

Werken met kinderen en gezinnen betekent vaak beslissen op momenten dat nog niet alles duidelijk is. Wanneer grijp je in? Wanneer onderzoek je verder? Wanneer wacht je nog even? En wanneer wacht je juist te lang?

Achteraf lijken de antwoorden vaak eenvoudig. Vooraf zijn ze dat zelden.

De twee angsten

Iedere professional kent de twee angsten die daarbij horen. De angst dat je te snel ingrijpt, en een gezin belast met onderzoek, toezicht of maatregelen die achteraf niet nodig blijken. En de angst dat je te laat bent, dat je signalen onvoldoende serieus hebt genomen, dat een kind langer onveilig is geweest dan nodig.

Tussen die twee angsten bewegen dagelijks duizenden professionals in Nederland. Geen van hen wil fouten maken. Zij proberen het goede te doen in situaties die in werkelijkheid vaak ingewikkelder zijn dan ze op papier lijken.

Wie zag het geheel?

Misschien is dat wel de belangrijkste les. Kinderen groeien niet op in systemen. Rond een kind staan vaak ouders, familie, school, zorg, hulpverlening, gemeente en buurt. Iedereen ziet een deel van de werkelijkheid.

De vraag is daarom niet alleen wie iets heeft gezien. De vraag is vooral: wie zag het geheel?

Dat vraagt vakmanschap. Het vraagt moed. Het vraagt collega’s die elkaar bevragen. En organisaties waarin twijfel uitgesproken mag worden voordat het een probleem wordt.

Blijven investeren in een samenleving die leert

Juist daarom is het belangrijk dat we na ingrijpende gebeurtenissen niet alleen zoeken naar schuldigen, maar blijven investeren in een samenleving die leert. Waarin jeugdzorg, onderwijs, gemeenten, zorg en veiligheid elkaar weten te vinden wanneer signalen daarom vragen. Waar zorgen gedeeld worden. Waar signalen verbonden worden. En waar we blijven zoeken naar manieren om kinderen beter te beschermen.

Want achter iedere melding, ieder overleg en iedere beslissing staan mensen die elke dag opnieuw proberen te doen wat het beste is voor een kind. Dat lukt niet altijd perfect. Maar wel met toewijding. En met een verantwoordelijkheid die de meesten van ons zich nauwelijks kunnen voorstellen.

Deze professionals verdienen meer dan ons oordeel. Ze verdienen onze steun. Want iedere dag opnieuw proberen zij hetzelfde te doen als wij allemaal: kinderen veilig laten opgroeien.